Bestaanszekerheid?

een preek bij het leesrooster voor de verkiezingen uit…

Preek bij Mattheus 25, 31-46 en lied 528 19 november 2023

Midden onder u staat Hij die gij niet kent,
zongen we. Dat is gedicht naar een regel uit het Johannesevangelie.
Het lied vertelt over een zekerheid waarnaar wij honger hebben, omdat wij die zoeken,
maar vaak niet vinden.
Hem zien- soms- even.. geeft dat de bestaanszekerheid waar we hier
vanmorgen naar verlangen?

De politieke partijen hebben bestaanszekerheid zo ongeveer allemaal als rode draad
in hun programma opgenomen.
Hat zal ons op de een of andere manier aan kunnen spreken.
Het gaat om de zekerheid dat wij burgers niet in ons materiele en fysieke bestaan
worden aangetast.
De zekerheid van een woning of een kamer, van werk en inkomen, van vervoer,
schone lucht en water, van broodnodige zorg en van onderwijs.

In de krant stond een karikatuur over bestaanszekerheid in verband met de verkiezingen:
we zien een theaterzaal gevuld met burgers in goede stoelen. Op het podium een wat
clowneske directeur van het verkiezingscircus, die wijst waar je met het rode potlood terecht kunt.
In het straatje ‘bestaanszekerheid’: vriendelijk groetende mensen op straat,
een moderne doorzonwoning met eigen royale auto, de Nederlandse vlag in top.
Het gaat je goed als je op mij stemt!
Maar dan… achter het doek zie je rechts bootvluchtelingen, dan de strijd tussen Palestijn en Israëli,
dode bomen, en een aangetast Oekraïne.

Het is niet zo’n gemakkelijk begrip, die ‘bestaanszekerheid’ zoals het lijkt: de één heeft immers
een andere zekerheid nodig dan de ander.
Dat speelt tussen de naties die met elkaar worstelen om het zekere bestaan, maar ook kleiner
van omvang:
De boer heeft voor bestaanszekerheid iets anders nodig, dan bijvoorbeeld Albert Heijn.
En wie van zorg afhankelijk is, heeft iets anders nodig dan degene die met een goede gezondheid
mag leven.
Wie leeft in afhankelijkheid van werk en inkomen, kan zich niet zo roeren als bij wie daar genoeg,
of teveel, van heeft.
Onze jongeren zoeken vaak een andere zekerheid als over het milieu gaat dan de
67plusser die langzamerhand weet dat hij of zij deel krijgt aan het strijklicht van
de ondergaande zon van zijn levensdag.

Bestaanszekerheid is een woord om recht te doen aan een kwaliteit die er bij iedereen
bij de geboorte al is ingelegd, is ‘ingeschapen’: je unieke waardigheid.
De aangeboren waardigheid van ieder mens, als beeld van God,
vraagt dat dit gestalte krijgt in de omstandigheden waarin ze leven: een menswaardig bestaan.
Daarom deden, denk ik, de beelden deze week vanuit het Al-Shifa ziekenhuis,
met creperende babies zo zeer.
Grote twijfel en pijn om hun bestaanszekerheid als speelbal in een politiek conflict, veel te groot
voor ons, dat ons wel diep raakt. Je valt dan stil…

Vanmorgen leggen we verhalen uit de Bijbel,
naast wat de voorgestelde ‘bestaanszekerheid’ ons brengt.
Vlak voor Jezus’ lijden en sterven wil Mattheüs ons een soort laatste woord van Jezus
overleveren: zijn rede over ‘de laatste dingen’. Een woord over het gericht aan het einde der tijden.
De mensenzoon op de troon van zijn grootsheid.
Alle volken die verzameld worden.
Scheiding van de mensen, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt..
de ene groep gaat rechts, de ander links.
Hoe Mattheus aan deze verbeelding kwam? Daar is al eeuwen over nagedacht.
Want het doet er toch toe, wat je in je leven deed en wat je niet deed?
Dat een verantwoordelijk mens eens ter verantwoording wordt geroepen.
Dat hem dan gevraagd wordt of hij of zij niet in slaap gesust is,
en wat of ze met hun talent gedaan hebben?
Dat is toch niet zo’n vreemde gedachte?
Maar kan dan ook een benauwende gedachte worden.
Wie zijn wij geweest in onze vaak zo bevoorrechte posities?
En hoe waren we toen het water aan onze eigen lippen stond?
Deze bijbeltekst is al snel als een moreel oordeel te ervaren, en daarom haak je dan af:
je voelt je aangeklaagd. Het is dus Bijbelse springstof zou je kunnen zeggen.
Op 23 augustus 1975 leidde deze Bijbellezing dan ook tot een groot politiek conflict
in de eerste dagen van het juist opgerichte CDA.
Ik las daarover de toespraak van politiek leider Willem Aantjes nog eens:
‘Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen,
maar het geeft wel richtlijnen en soms wel degelijk heel concreet.
Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: hongerigen voeden,
dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden,
zieken en gevangenen bezoeken.’
‘Wij moeten die werken van barmhartigheid dan wel nú vandaag toepassen.
Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen!
De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen
van hun uitgedroogde landen.
En als wij 1 procent van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven,
hebben wij meer zorgen over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed,
dan over de vraag of die 99 procent die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed.
De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten.
En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame,
dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende
van de dorstigen in de wereld.
En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen.
En wij laten ze uitwijzen, tenzij we ze nodig hebben om het werk te laten doen dat wij
nodig hebben
‘Geen plaats voor christelijke politiek?’, zei hij ook, ‘de wereld hunkert naar christelijke politiek!
Een politiek, die spreekt voor wie geen stem hebben; die handelt voor wie geen handen hebben; die een weg baant voor wie geen voeten hebben; die helpt wie geen helper hebben.’

Ja… voor je het weet voel je je aangeklaagd, maar het evangelie nodigt altijd tot verandering uit.
En daarin is ook de andere kant van dit gedeelte te vinden.
Ik lees dit gedeelte (ook) als een gelijkenis. Want hoe begint deze eindrede van Jezus in hoofdstuk 25:
met twee gelijkenissen.
De eerste gaat over de tien meisjes, vijf dom en vijf wijs, die op hun waakzaamheid
werden aangesproken.
En de tweede over hoe je je talent moet verstaan en gebruiken, dus over je handelen.
En nu.. in deze rede is het als een gelijkenis.
Gelijkenissen zijn dus in de Bijbel altijd teksten die aanzetten tot nadenken
over een veranderde houding, en daarnaar leven.
Een verhaal dat in beelden iets tracht te verhelderen wat aan onze verbeelding ontsnapt..
Dit is niet bedoeld om angst aan te jagen, maar om iets anders.
Als je het nog eens leest over wie de hongerige te eten geeft,
en wie dat na gelaten heeft, raak je verwonderd.
Verwondering over het feit dat zowel de goeden, als degenen die in gebreke gebleven zijn,
zelf niet beseffen wat ze al of niet goed of fout hebben gedaan.
‘ik had honger en jullie gaven me te eten; ik had dorst en jullie gaven met te drinken’.
Maar beide groepen antwoorden op precies dezelfde verbaasde toon. ‘Maar wanneer hebben wij
u hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt’.
En ook het antwoord dat vervolgens gegeven wordt is gelijk:
‘ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van
mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.’
Het verrassende in deze gelijkenis is dat wat je voor andere mensen in nood doet,
voor Christus hebt gedaan.
Geloof wordt pas vruchtbaar als je er iets mee doet, als het handen en voeten krijgt.
Hoe? Dat is in elke situatie weer opnieuw te bepalen. De gelijkenis wijst een richting.
De richting van het humane, van dat wat ieder mens voor een ander kan betekenen.
Dat wat de ander nodig heeft, aandacht en liefde, die terugspiegelt naar wie die geeft.
De ander maakt je immers mens.

In 1975, het jaar van de toespraak van Aantjes, geloofde de samenleving in
vooruitgang en maakbaarheid, ondanks dat wat dat ook toen al onderuit haalde.
Nu zijn we in een ander tijdperk beland.
Het vooruitgangsgeloof lijkt grotendeels uitgedoofd waar we bij waren. Nu is het anders:
hoe kan dat wat er nog is, in vredesnaam goed bewaard worden?
Ons vertrouwen is grondig aangetast in de grote vragen.
Hoe duurzaam zijn we, en kunnen we wel met kleinere, meer beperkte, mogelijkheden omgaan?
De gelijkenis zet ons aan om het te doen met wat ons gegeven is. Dat kunnen grote gebaren zijn,
maar zeker ook de kleine:
daar waar we om ons heen kijken en zien wat op dat moment nodig is, binnen en buiten ons
bevoorrechte land.
Als we de roep van wie naast ons is horen, en die verstaan.
Kleine dingen waar we voor waken en ons talent gebruiken.

De meester van Alkmaar laat dat zien, en hij blijkt de eerste rede van Jezus, de Bergrede te kennen!
En kijk eens wat er gebeurt: de man krijgt een broodje van de vrouw.
Zonder om te zien geeft hij het aan wie het nodig heeft.
Als u goed voor iemand bent, houd het dan geheim. Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet. Uw Vader ziet wat er in het verborgene gebeurt en Hij zal u ervoor belonen.

Woensdag gaat u het stemhokje in; ‘in het verborgene’ kun je zeggen.
U weet zelf wat u doet, aan wie u denkt die het nodig heeft als u uw stem uitbrengt.
Waaraan, en vooral, aan wie denk je dan, daar op die plek, en wat betekent dat?
De meester van Alkmaar vertelt dat u daar niet alleen staat, al denken we dat wel.
Achter u staat Hij die gij niet kent.
Wees verheugd van zorgen vrij,
God die wij aanbidden is ons rakelings nabij,
wonend in ons midden…

p.s. één van de kerkgangers bedacht hierbij dat het voor wie het zo nodig heeft in
zijn of haar situatie te weten wie er achter je staat een zeer troostende kant heeft.

Plaats een reactie