‘Dolen en dwalen’, zo gaat dat als je als mensen het paradijs uitgezet bent.
Zoals Adam en Eva.. de ‘ouders’ van deze twee, en, zogezegd, de mensheid.
‘Dolen en dwalen’: als je door de woestijn moet gaan,
geroepen om het beloofde land te zoeken.
Maar ook als je, zoals Jezus, met jouw boodschap in de tempel van Jeruzalem
niet gehoord wordt.
Hij heeft daarom vanaf het begin van zijn optreden de neiging om uit te wijken.
Op het moment dat hij zich laat kennen als profeet, als weldoener,
als leider van een nieuwe volksbeweging, trekt hij zich ook weer terug.
Hij wijkt uit en verbergt zich in het bergland.
En daar op die berg zag hij de ellende waarin de menigte, deze mensen, verkeerden.
Hij voelde hoe de nood van de wereld op ze drukte en hen kapot maakte.
Jezus stichtte daar in de middle of nowhere een schuilkerk voor zijn volgelingen.
De berg is het vluchtoord, in wat in Jeruzalem ‘het land achter Gods rug’ heette.
En daar, en dan, valt dat woord over volmaaktheid..
Dat kan ons op een dwaalspoor brengen.
Dit laatste vers vormt de afsluiting van een aantal tegenstellingen, die stuk voor stuk
worden ingeleid met de woorden:
jullie hebben gehoord dat gezegd werd, maar ik zeg jullie..
Daarin gaat het over: de ander geen kwaad hart toedragen.
In de man-vrouw, of liefdesrelatie het trouw-verbond serieus nemen.
Betrouwbaar zijn in woord en daad.
Proberen de spiraal van het kwaad in onszelf te doorbreken.
Zelfs in onze vijand de mens blijven zien.
Zoals God onszelf onvoorwaardelijk lief heeft.
Geboden, leefregels uit het Oude Testament worden hier in de Bergrede
door Jezus toegespitst tot regels van het Rijk,
waarin de royale gerechtigheid van God zichtbaar wordt.
Daarbij gaat het (vers 47) om het doen van het meer dan het gewone.
Die grondhouding wordt in vers 48 samengevat door:
wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
Stop!
Het woord ‘volmaakt’ valt. Misschien gaat bij u ook meteen
het alarm af: volmaakt..ik?
Hoe volmaakt, wat volmaakt? ‘Ik ben er mee opgevoed, maar ik kan me schamen
over hoe ik het niet kon en kan bereiken.’
Volmaakt een woord van de bovenste plank, onbereikbaar dus!
Nu moet u weten: zeer waarschijnlijk slaat dat Griekse woord voor ‘volmaakt'(teleios)
terug op een Joods, Hebreeuws, woord: ‘tamim‘.
Dat woord betekent: ongedeeld, uit één stuk, op één doel gericht, zonder onderscheid te maken.
Van Noach wordt gezegd dat hij ‘tamim’ is: een heel mens.
Abraham krijgt de opdracht om ‘tamim’ te zijn: wees heel, geheeld!
Het gaat dus bij dat ‘volmaakt’ niet om mensen die onberispelijk zijn en perfect leven.
(Als je al zou weten wat dat is!)
Het gaat hier om mensen uit één stuk, met een onverdeeld hart. Zij die weten:
onze hulp komt van de onvoorwaardelijke liefde van de Heer, adonaj, ‘Ik zal er zijn’.
Van deze Bron van Leven moeten ze het hebben, in hun volheid en in hun leegte.
Op Hem is uiteindelijk hun leven gericht.
‘Volmaakt’ is in de Bijbel dus echt iets anders dan ‘perfect’!
In het Israel van Jezus’ dagen was het vooral in godsdienstig opzicht
dat er prestaties geleverd moesten worden.
Het waren de Farizeeën die daar het beste in waren.
Zij proberen zich aan de kleine lettertjes uit de Thora te houden.
Zo precies dat zij van hen, die wat buiten de lijntjes kleuren, af willen zijn.
Jezus laat voelen dat er een verschil is tussen alle regels ‘tot in de puntjes gehoorzamen’,
zoal de Farizeeën dat doen, en de geboden van Mozes eenvoudig laten doordringen in je hart.
Wees dus volmaakt… in je verlangen naar het Licht..
De regel is nog niet af.. wees dus volmaakt…en dan, let op wat er staat, :
zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
Dat ‘zoals’ betekent hier niet zo iets als ‘net zo’, alsof het om nadoen van God gaat.
Het sluit aan bij de woorden van vlak daarvoor: dat jullie kinderen mogen zijn
van jullie vader die in de hemelen is.
We worden aangesproken als ‘kinderen’!
Wie aangeraakt is door het ‘heel worden’, het zoeken naar het Koninkrijk,
en de tekenen daarvan,(waar je vijand liefhebben bij hoort),
komt daar als ‘kind-van’ niet meer van los.
Het ‘net zo’ legt eigenlijk de nadruk op het vanzelfsprekende daarvan:
zoals Kain niet losgelaten wordt, worden wij, in principe ‘beeld van God’,
niet losgelaten.
Zeker niet na de ontmoeting met de Zoon van de Vader!
We zijn zo ‘kinderen van het Licht’
Er staat ook niet ‘je moet’ maar ‘je zult’ volmaakt zijn.
Wanneer wij in die zon gaan staan, worden we warm.
Niemand die in het spoor van Jezus wil gaan is van Gods liefde uitgesloten.
We worden dus niet gekleineerd tot eeuwige tekort-schieters.
We mogen elkaar zien en aanspreken, ondanks alles wat nu in beweging is
en ons somber kan stemmen.
We blijven kinderen van Gods belofte.
Dat maakt ons, ook als gemeente, tot ‘meer dan het gewone’.
Tot onze eigen verbazing..
Red Uw gemeente, zegen Uw erfdeel, bidt Psalm 28,
weidt ze en draag ze, tot in de wereld die komt!
Tot slot bij die twee beelden uit Duitsland: ik hoorde daar in Erfurt het verhaal
van iemand die in 1989 mee deed aan het geweldloos verzet,
zoals de wekelijkse gebedsuren in de DDR.
De vreedzame omwenteling kwam.
Deze verzetsleider van toen werd gevraagd: ‘hadden jullie eigenlijk een plan?’
‘Welnee‘ zei hij: ‘het gebeurde en we deden mee‘.
God surprises always. God verrast ons altijd.
Gelukkig: er kunnen zomaar wonderen gebeuren.
Ook met ons. Niet perfect, maar geroepen om heel, gaaf, te zijn.
Daar kunnen we het mee doen.